Fiscus en Pensioen 

De hoofdregel van de fiscus is dat de werknemer belasting betaalt over alle beloningen die hij uit de dienstbetrekking geniet. Het loon valt daaronder, maar ook bijvoorbeeld de auto van de zaak. Voor pensioenen is dat anders en hanteert de fiscus de “omkeerregel'. Dit wil zeggen dat de aanspraak van uw werknemer op pensioen niet belast wordt, maar dat hij later wel belasting moet betalen over de uitkeringen. Dit betekent voor de werknemer dat de werkgeversbijdragen aan de pensioenregeling niet tot het belaste loon worden gerekend en dat de werknemersbijdrage van het bruto loon mag worden afgetrokken. Dat maakt de netto last van de werknemersbijdrage een stuk lager. De uitkeringen worden straks weliswaar belast, maar dan vaak tegen een lager tarief, omdat voor AOW-gerechtigden een lager belastingtarief geldt dan voor mensen onder de AOW-gerechtigde leeftijd.

Voor u als werkgever zijn de pensioenkosten deel van de loonkosten. Deze kunnen op uw winst in mindering worden gebracht voordat u belasting betaalt .

De opbouw van pensioen wordt fiscaal al met al erg gunstig behandeld. Het lijkt dus interessant (voor zover de financiën van het bedrijf dat toelaten) om zoveel mogelijk pensioen op te bouwen. Dat kan echter niet zomaar. De fiscus stelt bovengrenzen aan de pensioenopbouw en formuleert hiermee precies wat op het gebied van pensioenen wel en niet mag. Meer informatie daarover vindt u op de website van de belastingdienst. Klik hier om naar het juiste gedeelte van de site te gaan. In het kort gelden de volgende eisen:

De pensioenopbouw per jaar

  • Voor het ouderdomspensioen mag in eindloonregelingen maximaal 2% van het salaris  per jaar opgebouwd worden. Het eindloonsysteem mag alleen toegepast worden over vaste beloningsbestanddelen. Hebben uw werknemers (sterk wisselende) variabele beloningsbestanddelen, dan bent u voor die beloningsbestanddelen aangewezen op de middelloon- of de beschikbarepremieregeling
  • De opbouw voor het ouderdomspensioen mag in een middelloonregelingen maximaal 2,25% per jaar bedragen.
  • De premie in een beschikbarepremieregeling wordt vastgesteld per leeftijdscategorie. Er mag uitgegaan worden van een carrièreverloop waarbij de loonstijging in de eerste tien jaar van de carrière 3% bedraagt, de volgende tien jaar 2%, de daarop volgende tien jaar 1%, en in de laatste tien jaar nihil. Er mag gerekend worden met een rekenrente van 4%. Om het gemakkelijk te maken heeft de fiscus hier staffels voor samengesteld. 
  • Bij de opbouwpercentages en bij de staffels wordt uitgegaan van een franchise van ten minste 10/7e maal de bruto AOW-uitkering per jaar, voor één gehuwde. U mag van een lagere franchise uitgaan, maar dat leidt tot een lager opbouwpercentage

De maximale pensioenuitkering

  • Het ouderdomspensioen (inclusief de AOW-uitkering) mag maximaal 100% van het salaris bedragen. Soms mag het pensioen meer dan 100% van het salaris zijn, als de overschrijding het gevolg is van waardeoverdracht, indexering of van ruil van partnerpensioen voor extra ouderdomspensioen. Ook als het ouderdomspensioen per periode in hoogte wisselt mag het (tijdelijk) hoger zijn dan 100 procent. Tot slot mag het ouderdomspensioen hoger zijn wanneer het opgebouwde prepensioen wordt doorgeschoven naar het ouderdomspensioen. 
  • In de beschikbarepremieregeling mag het pensioen niet uitkomen boven de 100%. Mocht op de pensioendatum blijken dat die norm overschreden is, dan moet de werknemer over het deel boven de 100% belasting betalen. De overschrijding van de 100%-grens is bij beschikbarepremieregelingen niet denkbeeldig. De premie wordt vaak geïnvesteerd in beleggingsfondsen. Bij een gunstig beursklimaat kunnen hoge rendementen gerealiseerd worden.

De pensioenleeftijd

  • De pensioenleeftijd van de pensioenregeling bij de werkgever lag vroeger vaak voor leeftijd 65. Nu kennen de meeste pensioenregelingen een pensioenleeftijd van 65 jaar, maar geldt dat de leeftijd ook weer mag vervroegd worden.De uitkering wordt dan lager. Wilt u meer weten over pensionering vóór 65 jaar, kijk dan bij Eerder of later met pensioen
  • De ingangsdatum van het pensioen mag uitgesteld worden tot uiterlijk de 70e verjaardag.

Partnerpensioen

  • Het partnerpensioen mag hoogstens 70% van het ouderdomspensioen bedragen. Bij een toegestaan jaarlijks opbouwpercentage van 2% voor het ouderdomspensioen is de maximale opbouw van het partnerpensioen 1,4% in eindloonregelingen en 1,58% in middelloonregelingen.
  • Naast het gewone, levenslange partnerpensioen, mag de pensioenregeling ook voorzien in een tijdelijk partnerpensioen.

Vut en prepensioen

Al is de officiële pensioenleeftijd in de meeste pensioenregelingen 65 jaar, toch werken maar weinig mensen tot die leeftijd door. Vroeger werd volop werd gebruik gemaakt van de vut of van een prepensioenregeling. Daarnaast waren er pensioenregelingen met een pensioendatum vóór leeftijd 65: de zogeheten vroegpensioenregelingen. Deze kennen naast het gewone ouderdomspensioen dan meestal ook een overbruggingspensioen.

De mogelijkheden om eerder met pensioen te gaan zijn behoorlijk ingeperkt. Vutregelingen mogen nog wel tussen werkgevers en werknemers worden afgesproken, maar ze worden fiscaal erg onaantrekkelijk. Feitelijk is het met de vut gedaan. Hetzelfde geldt voor prepensioenregelingen.

Daarnaast mag een pensioenregeling geen overbruggingspensioen meer bevatten en moet de pensioenopbouw uitgaan van een pensioenleeftijd van 65 jaar.

Er zijn wel mogelijkheden om toch eerder met pensioen te gaan. Wilt u weten hoe dat zit, klik dan bij Eerder of later met pensioen.


Pensioen-APK