Keuzemogelijkheden
Voordat je met pensioen gaat, kun je in je pensioenregeling drie keuzes maken.
1. Keuzes voor het partnerpensioen
Voordat je met pensioen gaat heb je keuzes met betrekking tot het partnerpensioen. Welke keuze dat is hangt af van de manier waarop het partnerpensioen in je pensioenregeling is verzekerd.
Opbouw partnerpensioen
Als in je pensioenregeling het partnerpensioen wordt opgebouwd, heb je voor je pensionering de mogelijkheid het opgebouwde partnerpensioen om te ruilen in een hoger ouderdomspensioen. Dat is een goede keuze als je geen partner hebt of een partner hebt die financieel zelfstandig is. Je kunt alleen het partnerpensioen inruilen dat is opgebouwd na 1 januari 2002. Sommige pensioenregelingen bieden die keuzemogelijkheid ook voor het partnerpensioen dat eerder is opgebouwd.
Als je wilt ruilen, heb je wel de toestemming van je partner nodig, want in dat geval krijgt je partner geen uitkering als je doodgaat. In sommige pensioenregelingen kun je ook een deel van je partnerpensioen inruilen. Wat de ruil u oplevert (hoeveel stijgt je ouderdomspensioen door inlevering van het partnerpensioen) verschilt van regeling tot regeling. Globaal liggen de percentages tussen de 10% en 20%.
Risicopartnerpensioen
Als in je pensioenregeling het partnerpensioen ‘op risicobasis' is verzekerd, is er alsje doodgaat na je pensionering geen pensioen voor je partner. Daarom kun je er voor je pensionering voor kiezen een deel van je ouderdomspensioen in te ruilen voor een partnerpensioen. Dan is er wél een pensioen voor je partner als je na je pensionering doodgaat. Als je partner (deels) van je inkomen afhankelijk is, kan dat een verstandige keuze zijn. Het effect is wel dat je eigen ouderdomspensioen lager wordt. Hoeveel lager, verschilt van regeling tot regeling. Globaal liggen de percentages tussen de 10% en 20 %.
Je pensioenuitvoerder zal je standaard de ruilmogelijkheid aanbieden. Als je niet reageert op het aanbod, gaat de pensioenuitvoerder (als je een partner hebt) standaard over tot de omruil van een deel van uw ouderdomspensioen in partnerpensioen.
2. Eerst een hogere uitkering, daarna een lagere (of andersom)
In sommige (niet alle!) pensioenregelingen kun je variatie aanbrengen in de hoogte van je pensioen. Bent je van plan om de eerste jaren na je pensionering veel geld uit te geven omdat je bijvoorbeeld verre reizen wilt maken? Dan is het handig om de eerste jaren te kiezen voor een hogere pensioenuitkering en daarna voor een wat lagere. Vaak bieden pensioenregelingen die mogelijkheid. Andersom kan ook: de eerste jaren een lagere uitkering en daarna een hogere. Bijvoorbeeld omdat je in de beginjaren na je pensionering nog andere inkomsten hebt. Je pensioenuitkeringen mogen niet onbeperkt in hoogte variëren. De uitkeringen mogen zich maximaal verhouden als 100 : 75.
3. Eerder of later met pensioen
In veel pensioenregelingen kun je ervoor kiezen om je pensioen eerder in te laten gaan. Ook kun je soms langer doorwerken en later met pensioen, waardoor je pensioenuitkering hoger wordt.



